Het is zaterdag en ik slenter zo maar door de stad. Ik heb al mijn beslommeringen achter me gelaten. Even tijd voor mezelf. Ik kijk om me heen en maak foto’s van dingen die ik mooi vind. Prachtige bomen. Een heleboel mussen bij elkaar. Zwanen met jongen. Ganzen, heel veel ganzen. Heerlijk.
Ik ga even op een bankje zitten. Ik kijk naar mensen die voorbij fietsen. Een kind en soms een hondje in een mandje voorop. Veel kinderwagens met de nieuwste spruit geduwd door moeders of vaders. Een heel feestelijk gezicht. De schommels in het kleine parkje zijn allemaal bezet. Jolig en blij klinken de geluiden. Het is dan ook echt stralend weer.
Er gaat iemand naast me zitten. Ik verstijf. Niet om dat iemand naast me komt zitten. Nee, het is de geur die die persoon meebrengt. Ik herken die geur. Ik had gehoopt die geur nooit meer te ruiken.
Ik kijk opzij. De vrouw die naast me is gaan zitten, ziet er netjes maar armelijk gekleed uit. Dat is niet de reden van de geur. De geur zit in haar poriën. Ik zie voor me hoe ze woont. Met een heleboel mensen in een veel te kleine woning. Veel kleine kinderen. Wassen die gedroogd worden voor de kachel of aan en op de verwarming. Koken in een veel te kleine keuken voor veel te veel mensen. Stoelen zonder leuningen om ze na het eten te kunnen stapelen. Overal bedden, ook in de huiskamer. Eén keer in de week in de tobbe. Het is de geur van armoede.