VERHALEN en GEDICHTEN Marys en Piet Clarisse

MIJN VADER, PIET CLARISSE, SCHREEF GEDICHTEN EN IK, MARYS CLARISSE SCHRIJF VERHALEN.

SCHRIJVEN WAS VOOR ONS BEIDEN EEN GROTE HOBBY.

NU HEBBEN WE SAMEN DEZE WEBSITE.  WE WENSEN U VEEL LEESPLEZIER.

De Droom

 

 

De wekker ratelt als een machinegeweer in zijn oren. Hans de Jonge komt snel overeind en stopt de wekker met een druk op de knop. Langzaam zakt hij weer terug in zijn bed. Dacht na over zijn droom. Alweer die droom. Hij was nu achtentwintig en steeds kwam die droom terug. Niet elke nacht gelukkig.
Dan zag hij zichzelf als een kind van een jaar of acht, die zich in de struiken had verstopt, zich heel klein maakte en bang om zich heen keek. In de verte hoorde hij zijn moeder zijn naam roepen. Hij durfde niet te voorschijn te komen, omdat iemand vlakbij hem zachtjes door de diepe achtertuin liep. Zijn moeder bleef roepen en haar stem klonk steeds wanhopiger. Het landschap werd waziger. En hij, hij was helemaal alleen.
Over die droom had hij nog nooit gepraat met zijn moeder. Hij wist wel waarom. Zijn moeder mocht niet ongerust worden. Dan werd ze nog verdrietiger dan ze al was. Maar werd het niet eens tijd wel over die droom te praten.
Hij mijmerde over zijn jeugdtijd. Zijn jeugdjaren waren een eenzame tijd. Hij was altijd alleen met zijn moeder. Ze bracht hem naar school en haalde hem op. Regelmatig stopte een politieauto voor hun deur en maakten de agenten een praatje met zijn moeder.
Toen hij een jaar of twaalf was, veranderde er veel. Hij mocht op de fiets naar school. Fietsen had hij in de zomervakantie geleerd. De agenten zag hij nooit meer. Zijn moeder ging werken en alles leek normaal. Ook de tijd aan de universiteit leek normaal. Hij mocht alleen niet op kamers in de stad wonen en ging elke dag vice versa met de trein naar de universiteit. Zijn moeder was overbezorgd. Waarom? Dat wist hij niet. Natuurlijk had hij dit wel aan haar gevraagd. En dan zei ze steevast dat ze maar één kind had en die moest ze koesteren. Hij wist niet of hij haar moest geloven, want hij voelde dat er vroeger iets ergs was gebeurd, maar hij wist niet wat.
Kom op, opstaan, douchen, en ontbijten. Dan hup naar je werk. Ineens, realiseert Hans zich dat het zaterdag is. Hij was vergeten het alarm van de wekker uit te zetten. Hij is nu wel erg vroeg wakker. Hoe zou het met moeder zijn? Gisteren hadden ze woorden gehad over iets heel onbenulligs. Dat hij de vaatwasser niet had gevuld. Hij was eigenlijk kwaad geworden over de manier waarop zijn moeder hem benaderde. Of ie een kind van tien was of zo. Dat had hij op boze toon gezegd. Zijn moeder was daar op ingesprongen en verweet hem van alles. Hij, Hans, liet haar alles alleen in huis doen. Niets kwam er uit zijn handen. Hij liet haar in de steek.
Nu, liggend in zijn bed, beseft hij dat ze wel een beetje gelijk heeft. Maar het was wel de manier waarop ze leefden. Zijn moeder regelde altijd alles. Vroeger en nu nog steeds. Ja Hans, denkt hij, lekker makkelijk hé. Moeder doet het wel.
Hup, met een sprongetje staat hij naast zijn bed. Half acht. Laat ik als ‘goedmakertje’ het ontbijt eens verzorgen. Ik ben beter in staat dan moeder een ruzie op te lossen. Haar karakter is wat stugger dan de mijne.
Hans trekt zijn badjas aan en loopt zachtjes de trap af. Maupie, de kat, is in ieder geval blij hem te zien. Hij blijft kopjes geven.
“Dag Maupi,” zegt Hans, “lekker geslapen?” Het lijkt wel of de kat begrijpt wat hij zegt, want hij begint zachtjes te miauwen. Maar het kan natuurlijk ook zijn dat Maupi graag wil eten, denkt Hans.
Hij dekt de tafel, zet de eitjes op en zet thee. De eitjes koken al. “Hoe lang moeten die koken. 10 minuten?” vraagt hij zich hardop af.
Zijn moeder staat in de deuropening en kijkt naar haar zoon. Een volwassen man, in de bloei van zijn leven, constateert ze. Als ze terugdenkt aan die angstige jaren aan het begin van zijn leven, kan ze nu eigenlijk alleen maar heel blij zijn, dat alles ‘wonder boven wonder’ nog zo goed afgelopen is. De bedoeling van zijn vader en haar ex-man was anders. Hij stalkte en bedreigde mij en heeft een paar keer geprobeerd haar Hans in hun diepe achtertuin en daarna bij school te ontvoeren. De politie was er gelukkig snel. Toen die aankwamen was Gerrit, de vader van Hans al gevlucht. Later is hij geëmigreerd naar Nieuw Zeeland. Hans was toen een jaar of twaalf. Goddank hadden ze daarna nooit meer last van hem gehad.
Ze ziet dat Hans de eitjes in een pannetje doet en hoort hem hardop vragen hoe lang die moeten koken. Ze zegt: “vijf minuten, Hans.”
“Goedemorgen, moeder. Lekker geslapen?” vraagt hij, terwijl hij het wekkertje instelt.
Moeder geeft geen antwoord en loopt de kamer in en gaat aan tafel zitten. Ze heeft haar stugge gezicht nog op, ziet Hans, maar voor het eerst trekt hij zich
daar niets van aan. Hij heeft er genoeg van dat zijn moeder nog steeds een gesprek ontwijkt. Hij besluit zijn moeder over zijn steeds terugkerende droom te vertellen. De droom, die maakte dat alles wat in zijn leven gewoon leek, dit niet was. Nu wil hij eindelijk weten wat er zoveel jaren geleden is gebeurd is. Daar heeft hij volgens hem wel recht op.
Hij schenkt thee in voor zijn moeder en koffie voor zichzelf en begint te praten: “Ik wil eigenlijk vertellen wat me al, vanaf mijn achtste jaar tot nu toe, overkomt.” Zijn moeder kijkt verschrikt op en vraagt: “wat je vanaf je achtste jaar overkomt? Wat kan dat dan zijn?”
“Ik droom regelmatig dat ik heel angstig in de struiken van de achtertuin zit. Ik hoor iemand zachtjes lopen. Ik maak me heel klein. Ondertussen word ik door jou geroepen. Ik durf niet uit de struiken te komen, want er loopt nog steeds iemand vlakbij. In de droom wordt alles wazig. Plots is er niets meer. Alleen een doodse stilte.
Wat ik van die periode weet, was, dat ik heel veel binnen moest blijven en dat er regelmatig een auto van de politie voor de deur stopte en aanbelde. Ik moest dan naar mijn kamer. Later mocht ik fietsend naar school. Maar altijd was er bij u die angst en verdriet. Daardoor ook bij mij. Als ik er naar vroeg, was het antwoord steeds ontwijkend.”
Hij kijkt zijn moeder aan en ziet dat ze geluidloos zit te huilen. Ze pakt haar servet en droogt haar ogen af. “Weet je zoon, ik heb je al vanaf je geboorte willen behoeden voor rampspoed. Ik dacht altijd dat het aardig was gelukt, maar door die droom van jou, besef ik dat dit niet het geval is. Het spijt me zo zeer, dat ik niet heb gesignaleerd hoe bang je was. Je droom doet me huilen.”
“Vertel me over mijn vader. Ik ben nu volwassen en kan wel een stootje hebben. Ik weet dat ik altijd een vader wilde hebben en ook naar hem vroeg, maar ik begrijp nu dat er niet veel aardigs over hem te vertellen is.”
“Nou,” zei zijn moeder, “het begon allemaal zo goed. Ik leerde je vader, Gerrit, kennen tijdens onze studie. Hij was een charmante deugniet. Kon hele leuke verhalen vertellen. In een mum van tijd was ik verliefd op hem. En hij op mij, dacht ik. Een jaar na onze ontmoeting zijn we getrouwd. Ik was snel in verwachting van jou. Tot zover het leuke deel. Je vader begon heel bezitterig te worden. Wilde precies weten waar ik naar toe ging en met wie ik sprak. De bedreigingen vlogen om mijn oren. Het leven met hem werd steeds meer een
ramp. Jij was net geboren en ik werd steeds banger dat hij jou iets aan zou doen. Op een dag heb ik echtscheiding aangevraagd. Ik heb de reden van scheiden kunnen onderbouwen met de vele aangiftes die ik bij de politie had gedaan. Na de scheiding bleven de bedreigingen me achtervolgen. Hij wist vaak precies waar ik heen ging. Hij stond daar dan op me te wachten en riep dan dat ik zijn kind had gestolen. En dat hij het zeker zou terughalen. Uiteindelijk mocht hij niet meer in ons gebied komen. Maar mijn angst bleef bestaan. En terecht. Toen je een jaar of acht was heeft hij een poging gedaan om je te ontvoeren. De poging mislukte, omdat een buurvrouw hem in onze tuin zag lopen en vroeg waarom hij daar liep. Hij riep naar haar dat hij zijn kind kwam halen. Ze heeft direct de politie gebeld. gebeld. Die zijn gekomen, maar de vogel was al gevlogen. Jij was gelukkig in huis.
En nu je droom, zoon, je was inderdaad een jaar of acht. Je speelde in de achtertuin met je lego. Je was een dorp aan het bouwen, zei je. Op de een of andere manier ruik ik het als er gevaar dreigt. Ik krijg dan een barstende hoofdpijn en ruik een brandlucht. Dat overkwam me ook toen jij in de tuin speelde. Ik begon je te roepen. Je reageerde niet. Ik rende de tuin in. Daar zag ik dat je vader bezig was je uit de struiken te sleuren. Ik gilde als een bezetene en begon je vader te slaan. Hij riep maar dat jij zijn kind was. De buren kwamen kijken en een van hen heeft je uit zijn handen gerukt. Dat is dan je droom, zoon. Ik besef dat ik jou tekort heb gedaan. Misschien had ik dit allemaal eerder moeten vertellen, maar ik kon dat niet.”
“Hoe is het nu met mijn vader, moeder?”
“Toen je vader jou wilde ontvoeren, was hij net vrij gekomen uit de gevangenis. Een paar jaar later hoorde ik van een verre kennis, dat hij was overleden. Een auto-ongeluk. Of dat waar is, weet ik niet. Jij was een jaar of twaalf.”
“Heb ik eigenlijk nog familie van vaderskant?”
“Ja, alleen een broer met zijn vrouw en kinderen. Max heet die broer. Waarom wil je dat weten?”
“Dat is toch logisch moeder. Ik heb nog familie, terwijl ik dacht geen familie buiten mijn moeder te hebben. Misschien een gekke vraag, maar hebben jullie nooit contact gehad?”
“In het begin wel, maar nadat ze naar Nieuw Zeeland zijn verhuist, is dat contact verwaterd. Wat wil je gaan doen? Contact zoeken? Ze zullen je vertellen dat ik in de relatie met je vader de schuldige ben.”
“Ach moeder, zullen we alles even laten rusten en gewoon gaan ontbijten? Dan praten we straks verder.”
In gedachten verzonken ontbijten ze. Ze schrikken als Maupi miauwend binnenkomt. ‘Nog thee moeder?’ vraagt Hans. Moeder schudt van nee. Ze wil net op gaan staan als Hans haar vraagt: ‘wat bedoel je met de opmerking dat zijn familie zegt dat jij de schuldige bent in de relatie met mijn vader? Ik snap daar niets van. Wat is er vroeger dan gebeurd?’
‘Je vader en ik hadden vaak ruzie. Waar ook de familie meermalen getuige van was.’
‘Waarover ging die ruzie dan?’
‘Over jou. Ik beschermde jou teveel. Een kind moest, volgens hem buiten spelen met vriendjes. Ik was het daar niet mee eens en ging daar tegen in door voorbeelden naar voren te halen, die je vader over zijn jeugd had verteld.
‘Wat voor voorbeelden dan?’
‘Nu, aarzelt ze, ‘ik was wel een beetje gemeen. Ik gooide hem al zijn jeugdzondes voor de voeten. Hij nam me dat niet in dank af. Langzaam maar zeker groeiden we uit elkaar. Door al die ruzies werd jij een nerveus kind. Op een dag heb ik een advocaat ingeschakeld.
’s Avonds vertelde ik je vader dat ik wilde scheiden. Hij werd lijkwit. Een scheiding wilde hij niet. Wel bemiddeling. Ik weigerde dat, toen ik merkte dat mijn zoon op de schoot van zijn vader kroop. Net alsof hij zijn vader koos. Je was altijd gek op je vader. Dat kon ik niet uitstaan. Waarom niet. Ik was heel jaloers.’
Hans had al die tijd alleen maar geluisterd. Hij voelde zichzelf steeds wantrouwender worden. Wat zijn moeder vertelde klopte niet. Waarom reageert ze na al die jaren op zijn vragen? Wat was er gebeurd?. Hij liet de laatste paar dagen de revue passeren. Dacht niet dat er wat bijzonders was gebeurd. Alleen gisteren, toen hij van zijn werk kwam, stond er iemand aan de deur met zijn moeder te praten. Hij dacht dat het de postbode was. Nu hij er over nadacht, gaf ze iets aan zijn moeder. Hij wist niet wat. Had er niet bewust op gelet. Maar stel nu eens dat iemand, de postbode in dit geval, zijn moeder een enveloppe had gegeven. En stel verder eens, dat zijn moeder die enveloppe bedreigend vond en heeft opengemaakt, gelezen heeft en daarna weggegooid? Wat dan? Zoeken naar de resten bedacht hij. Hoe pak ik dit aan?
Misschien was er vanmiddag een kansje om in huis te zoeken, want ze moest in het Buurthuis de kinderbingo leiden. Zijn moeder was stil.
Hij stelt snel zijn volgende vraag: ‘waarom geef je nu, na al die jaren, wel antwoord op mijn vragen?’
‘Tja, ik stond vanmorgen in de deuropening en stelde vast dat je nog steeds direct of indirect vragen over je vader en diens familie stelt. En ik vind eigenlijk dat je wel recht op antwoorden hebt. Je bent geen kind meer, maar een volwassen man. Dat is mijn reden.’
Haar antwoord is redelijk, maar zijn wantrouwen is toch nog niet verdwenen. Waarom is ie toch zo wantrouwend? Het is een soort onderbuik gevoel. Misschien is er niets aan de hand en is zijn wantrouwen voorbarig. Dat hoopt hij maar. De confrontatie aangaan is niet echt zijn ding. Harmonie is meer zijn doel.
Hans ruimt de tafel af, terwijl zijn moeder gaat douchen. Hij kijkt om zich heen in de keuken en merkt dat hij nogal alert is. Maar alles lijkt normaal. Hij pakt de krant en begin te lezen. Na een halfuurtje komt zijn moeder naar beneden en zegt dat ze nu boodschappen gaat doen, omdat ze vanmiddag die ‘kinderbingo’ heeft.
‘Ja,’ zegt Hans, ‘dat weet ik. Vind je het leuk om die bingo te leiden?’
‘In het begin niet zo, maar ze konden niemand anders vinden en ik wilde toch wel graag vrijwilligerswerk doen. Nu ben ik aardig aan veel kinderen gewend en is het toch wel leuk. Kinderen zijn vaak zo spontaan.’ Ze pakte de boodschappentassen uit de onderste la en ging in een moeite door om de vuilniszak te vervangen.
‘Ach, laat maar moeder. Dat doe ik wel. Jij hebt straks een drukke middag met die bingo.’
‘Niet vergeten dan, hé,’ zegt zijn moeder en weg is ze. Even later ziet hij haar kleine autootje wegrijden.
Hij trekt voorzichtig de vuilniszak uit de emmer en doet hem open. Hij vindt geen bewijs van een brief of iets dergelijks. Hij vervangt de vuilniszak en terwijl hij zijn handen wast, vraagt hij zich af waar hij nu moet gaan zoeken. Hij loopt naar boven naar zijn moeders slaapkamer. Hij kijkt in rondte . De lades maar eerst. Wel voorzichtig, anders ziet ze dat ik daarin gekeken heb. Hij vindt in die lades niets wat op een brief leek. Wel veel ansichtkaarten van ene Petronella. Hij heeft nog nooit van Petronella gehoord, laat staan Petronella gezien. Ook die ansichtkaarten heeft hij nog nooit bij de post gezien. Hij kijkt bij een van de kaarten op het poststempel. Nieuwe Zeeland. Vreemd, zijn oom Max is met vrouw en kinderen verhuist naar Nieuw Zeeland. Zou Petronella familie zijn? Later de kaarten nog eens bekijken.
Moeder heeft in een van de kamers al haar boeken en haar computer. Daar zit ze ook regelmatig. Die kamer moet hij als eerste vanmiddag maar eens doorspitten. Nu maar even niets méér doen, dan de krant lezen.
Hij loopt naar beneden en denkt, vreemd dat ik nog nooit van Petronella heb gehoord. Wat zal ik nog meer ontdekken?
Hij pakt de krant van de keukentafel en loopt naar de huiskamer.
Hij is onrustig en kan zijn aandacht niet bij de krant houden. Petronella, denkt hij. Wie is in hemelsnaam Petronella. In de slaapkamer is helemaal niets persoonlijks van zijn moeder. Zelfs geen boek. Nu ja, straks maar verder kijken. Hij zit wel met een dilemma. Je moeders spullen nakijken is eigenlijk niet netjes, maar hij weet niet op welke manier hij zijn wantrouwen kan verminderen. Ondertussen stelt hij zichzelf ook de vraag: Wat wil ik eigenlijk vinden? Dat is zelfs voor hem niet helemaal duidelijk. Hij wil meer weten over zijn vader. Hoe die er uitzag. Hoe oud hij is geworden. Uit hoeveel leden de familie De Jonge bestond en nu nog bestaat. Hoe lang zijn vader en moeder gescheiden zijn? Waren ze wel gescheiden? Nu om alles maar in een zin te verwoorden: hij wil alles over zijn vader te weten komen. Hij merkt ook dat het wantrouwen tegenover zijn moeder in de loop van de jaren is opgebouwd, doordat ze heel negatief reageerde op zijn vragen en niet door iets te zeggen, maar door haar uitstraling. Als zijn vader echt zo super slecht was, wil ik dat zelf ontdekken, denkt Hans. Trouwens een mens is toch niet altijd alleen maar slecht? Of wel soms?
Nu ja, hij gaat tijdens zijn moeders kinderbingo in haar werkkamer kijken of hij meer informatie over zijn vader en diens familie kan vinden. Misschien ook wel meer informatie over zijn familie van moederskant. Hij herinnerde zich van heel lang geleden dat oudtante Bea bij hen woonde. Op een dag was ze er niet meer. Hij heeft nooit gehoord dat ze was overleden.
Langzaam vallen zijn ogen dicht. Volgens hem gaat na een minuut de bel. Daar zal zijn moeder met de boodschappen zijn. Hij loopt snel naar de deur en doet die open. Daar staat een jonge vrouw in het postbode tenue.
‘Post op zaterdag?’ zegt hij vragend. ‘Ja hoor, zeker wel. Ik heb hier een aangetekende brief voor de heer H.P. de Jonge. Bent u dat?’
‘Ja,’ zegt hij verrast, ‘moet ik me misschien legitimeren? De vrouw knikte bevestigend. ‘Wacht dan pak ik binnen mijn legitimatie. ’Zo gezegd, zo gedaan. Bij het teruglopen naar de deur vraagt hij de postbode of ze gisteren ook aan de deur is geweest. ‘Jazeker, maar u was er niet en uw moeder wilde de brief wel aannemen, maar dat kan niet met deze aangetekende brief.’ Na de registratie geeft de postbode de brief en overige post aan Hans, die de postbode bedankt en een fijne dag toewenst en vervolgens de deur sluit.
Met de brief en de overige post gaat hij naar binnen. De aangetekende brief heeft als afzender Wilson Notary, de herkomst is Nieuw Zeeland. Hij stopt de brief in zijn broekzak om die later in alle rust te lezen. Hoewel de nieuwsgierigheid groot is. Hij kijkt of er nog iets voor hem bij de post is. Nee, maar kijk nu toch, een kaart van Petronella. Hij kan nu tenminste aan zijn moeder vragen wie Petronella is. Hij legt alles op tafel. Hij voelt zich wat rustiger worden en gaat nu echt de krant lezen.
Na een half uur gaat wederom de bel. Hij loopt weer naar de voordeur. Zijn moeder terug van boodschappen doen. Of hij even de zware tassen naar binnen wil brengen. Ja natuurlijk. Daarna gaat hij koffie zetten, terwijl zijn moeder de boodschappen opruimt.
De vraag wie Petronella is brandt op zijn lippen. Hij kan niet meer stoppen. Hij moet die vraag stellen. ‘De post ligt op tafel, ‘ zegt hij ten overvloede, ‘wie is eigenlijk Petronella?’
Het blijft even stil, dan geeft zijn moeder een verbazingwekkend antwoord. ‘Dat is mijn zuster. Waar ze precies woont in Nieuw Zeeland en of ze getrouwd is, dat weet ik niet.’
‘Waarom heb je me nooit verteld, dat je een zuster hebt. Wat heb je nog meer voor me verzwegen? En ik altijd maar denken dat u en ik, op oom Max na, de enige overgebleven familieleden waren.’
‘Je hebt me daar ook nooit naar gevraagd. Alleen je vader en zijn familie waren belangrijk voor jou. Mijn familie was niet zo belangrijk.’
‘Dat is niet eerlijk, moeder. Vroeger heb ik vragen gesteld over opa en oma Schrijver, want oudtante Bea vertelde leuke verhalen over hen, maar je gaf nooit antwoord. Ook niet toen oudtante Bea er opeens niet meer was.’
‘Misschien is het niet eerlijk zoon, maar het heeft me in het begin toch pijn gedaan dat je zoveel naar je vader trekt. Juist omdat in de oorlog veel van mijn familieleden zijn overleden. Of liever gezegd, zijn vermoord.’
Er valt een oorverdovende stilte, dan vraagt Hans: bent u Joods?’ Moeder knikt ja. Ze is duidelijk geëmotioneerd. ‘Ook dat wist ik niet,’ zegt Hans. ‘Dat kon je ook niet weten, want daar werd, zoals in mijn familie gebruikelijk was, nooit over gesproken. Ook niet door mij. Niet over het Joods zijn, niet over de vele familieleden die om het leven zijn gekomen. In de huiskamer hingen vroeger foto’s van die familieleden. Als je daar vragen over stelden, kreeg je nooit een antwoord. Er werd alleen maar verteld dat ze allemaal dood waren en familieleden zijn. Het was een heel stille tijd in ons huis. Na de dood van mijn vader en moeder heb ik de foto’s geërfd. Ik besloot de foto’s niet aan de muur te hangen, alleen die van opa en oma Schrijver. Ik heb alle andere foto’s in albums geplakt met de gedachte aan jou, omdat ik wist dat ik je eens dat deel van onze familiegeschiedenis moest vertellen Toen je jong was, deed ik dat niet, omdat je nog zo jong was . Later schoof ik het steeds meer voor me uit.
In jouw jeugd woonde oudtante Bea bij ons. Zij was samen met mijn moeder ondergedoken geweest in het oosten van het land. Toen de oorlog afgelopen was, gingen ze weer naar ons huis. Daar woonden inmiddels andere mensen. Korte tijd later kreeg oudtante Bea een huis toegewezen. Mijn moeder woonde bij oudtante Bea. Leerde mijn vader kennen. Trouwden en kregen snel achter elkaar drie kinderen. Een van de drie kinderen ben ik. Dan volgde Petronella en mijn broertje Sam, die helaas vroeg is overleden. Later verhuisden we naar een groter huis. Oudtante Bea verhuisde mee. Je zult je wel afvragen waarom ik je dit nu vertel? Door de ontvangst van de ansichtkaart van mijn zus was nu de gelegenheid om jou iets over onze familie te vertellen. Ik wil het hier nu even bij laten, anders ben ik straks niet in staat om de Kinderbingo te leiden.’
‘Wat moet ik hier mee! Wat is er nog meer verborgen? vraagt Hans zich hardop af. Ondertussen denkt hij, wat een bizarre geschiedenis. Het moet toch een
reden hebben dat Petronella, mijn tante, alleen maar een ansichtkaart stuurt? En zijn oma van moederskant was alleen ondergedoken met oudtante Bea. Waren er niet nog meer familieleden die ondergedoken hebben gezeten? Of is er meer aan de hand? Wat ben ik wantrouwig. Maar er blijven zoveel zaken onbesproken. Dat zal de reden wel zijn. Vanmiddag ga ik nu zeker kijken of ik iets meer kan vinden in de werkkamer van moeder.
Moeder drinkt haar koffie en mijmert over vroeger en de foto’s die bij haar opa en oma hebben gehangen. En na hun dood bij haar ouders thuis. De stilte, de doodse stilte, die bij opa en oma heerste, kwam ook samen met de foto’s bij hen thuis.
Ze had het aantal foto’s een keer geteld; 101 exemplaren. Allemaal familieleden en vrienden die in de oorlog waren gestorven. Dat was de enige mededeling die ze ooit van haar opa en oma en later van haar vader en moeder heeft gekregen.
De stilte die haar ouders hadden meegekregen van hun ouders. Die stilte heeft ze nooit kunnen overwinnen. De stilte die haar zo vaak overvalt en verdrietig maakt. Ze vraagt zich vaak af wat ze overgedragen heeft aan haar zoon. Dezelfde stilte, zonder foto’s?
Nu maar eens ophouden met dat zware denken. Vanmiddag al die kinderen, dat zal haar opvrolijken.
Zijn moeder vertrekt naar haar kinderbingo met een ‘tot straks’. Hij zegt niets terug. Daar heeft hij helemaal geen zin in. Zijn wantrouwen is alleen maar groter geworden. Hij haalt de brief uit zijn broekzak en maakt hem open. De tekst is in het Engels. Logisch natuurlijk.Goh, hij heeft een erfenis gekregen. De broer van zijn vader, zijn oom Max, is overleden en in alle stilte begraven. Nu zijn beide broers overleden. Contact opnemen met notaris Williams. In de brief staat uitgebreid op welke wijze hij de notaris kan bereiken. Zal ik nu bellen? Maar daar is het natuurlijk ook weekend. Hoe groot is eigenlijk het tijdverschil? Een uur of negen dacht hij. Hij wist wel dat Nieuw-Zeelanders altijd voorlagen in de tijd. Contact maken gaat hij morgen of maandag doen.
Hij steekt de brief weer terug in zijn broekzak en loopt de trap op naar de werkkamer van zijn moeder. De deur is op slot. Zo, ze vermoedde zeker dat ik een kijkje zou gaan nemen. Nou, die deur gaat open, al moet ik hem open rammen. Hij gaat op zoek naar iets waarmee hij de deur kan openbreken. Aha, een klauwhamer en een schroevendraaier. De schroevendraaier duwt hij ter hoogte van het slot tussen de deur en de deurlijst en geeft met de hamer een fikse klap. De deur springt open. Zo, dan nu maar aan de slag. Hij kijkt in de boekenkasten. Bovenop de boeken ligt niets. Ook niet achter de boeken. Hij loopt naar het bureau van zijn moeder, trekt de stoel naar achter en gaat zitten. Middenvoor is een grote la. Hij trekt die open en kijkt wat er in zit. Betaalde en onbetaalde rekeningen, ziet hij met één oogopslag. De twee overige lades bevat evenmin voor hem belangrijke zaken. Dan de twee kastjes onder de lades. Allemaal mappen. Na een half uur trekt hij de conclusie dat er in het eerste kastje niets over zijn familie en met name zijn vader, voorkomt. Nu heeft hij nog één kastje te gaan. Halverwege die speurtocht in dat tweede kastje, komt hij een map tegen waarop Gerrit en Privé staat. Dus toch! Hij opent de map en het eerste wat hij ziet is een foto van zijn vader en moeder in hun jonge jaren. Hij ziet dat hij veel op zijn vader lijkt. Na een tijdje legt hij de foto opzij. Nu weet hij tenminste hoe zijn vader er uit zag. Hij gaat verder spitten om te zien of er ook iets te vinden is over het overlijden van zijn vader. Helemaal niets. Dan vindt hij in één van de mappen een gesloten enveloppe. Die maakt hij open.
Een brief van zijn vader aan zijn moeder. ‘Als je deze brief leest, ben ik niet meer in Nederland. Nu onze scheiding rond is, ga ik samen met Petronella een nieuw leven opbouwen. Je hebt me nu wel genoeg leed berokkend met al die beschuldigingen, waarvan er maar één klopt. Dat ik Hans mee wilde nemen naar Nieuw Zeeland. Je hebt geprobeerd me opgesloten te krijgen. Dat is niet gelukt. Eens zal ik mijn zoon ontmoeten. Dat weet ik zeker! Tot die tijd zal ik hem blijven schrijven. Gerrit’
Zijn gevoel is op dit moment tweeslachtig. Het goede gevoel gericht op zijn vader, die niet dood blijkt te zijn. Boosheid in de richting van zijn moeder, die hem al die jaren heeft voorgelogen. Waarom heeft ze zo gemeen gehandeld door hem te laten geloven dat zijn vader dood is. Ze moet nog veel meer gelogen hebben. Het dringt langzaam tot hem door dat zij, door de rol van enige bloedverwant te spelen, het voor elkaar heeft gekregen hem afhankelijk van haar te maken.
Hij neemt de map met alle papieren mee naar beneden en legt die op tafel. Neemt een kop koffie uit de thermoskan en haalt de brief uit zijn broekzak. Hij krijgt misschien geen gehoor, maar kan misschien wel een boodschap inspreken. Hij toetst het nummer in en na drie keer overgaan, wordt er opgenomen. Een slaperige stem zegt hallo en hij vraagt in het Engels of hij spreekt met notaris Williams. De man bevestigt dit en vraagt met wie hij spreekt. Het is namelijk vier uur in de morgen. Hans biedt zijn excuses aan en stelt zich voor. De notaris vertelt hem dat zijn oom Max graag in contact met hem had willen blijven, maar dat zijn moeder dit tegenhield. Die wilde daar niets van weten. Hans vroeg de notaris of hij nog neven en nichten heeft. De notaris antwoordt bevestigend; drie nichten en een neef plus 2 kleinkinderen en natuurlijk niet te vergeten je tante Annie. Ook nog je vader en zijn vrouw met een tweeling. Een jongen en een meisje. ‘Oh, mijn hemel,’ zegt Hans geëmotioneerd, ‘dan heb ik nog een broertje en een zusje ook en ik wist van niets.’ ‘Je moeder wist dit wel,’ zegt de notaris.
Hans zegt binnenkort naar Nieuw Zeeland af te reizen. Volgens de notaris een goed idee. Over ongeveer een maand denkt Hans. Ik moet nog een en ander regelen op mijn werk. En natuurlijk met mijn moeder spreken. Ze spreken af met elkaar in contact te blijven. De notaris zal zijn familie op de hoogte brengen. Als eerste zijn vader. Hans bedankt de notaris en hangt op. Volkomen overdondert door al dat nieuws. Hij neemt een slok van zijn koffie en merkt niet eens dat de koffie koud is.
Hans is nog zo in gedachten verzonken dat hij niet merkt dat zijn moeder is thuisgekomen. ‘Ook goedemiddag,’ zegt zijn moeder. Hij kijkt haar aan en voelt een ongelooflijke boosheid bovenkomen. ‘Dit wordt geen goedemiddag voor je,’ zegt hij, ‘hoe haal je het in je hoofd om mij al die jaren voor te liegen over mijn vader. Hij is helemaal niet dood. Jij hebt hem doodgezwegen, omdat je het niet uit kon staan, dat ik zo veel van hem hield. Je wilde me alleen voor jezelf houden. Je bent niets anders dan een jaloerse gek. Het zou me niet verbazen dat de post die mijn vader aan mij stuurde regelrecht de prullenmand is ingegaan. En dan heb ik ook nog een broertje en een zusje waar ik niets van wist. Ook oom Max en tante Annie hebben kinderen en kleinkinderen. Helaas is oom Max overleden.’
Zijn moeder draait zich om en loopt de kamer uit. Hij loopt haar achterna en roept, ‘Waarom loop je weg? Kan je er niet tegen dat ik woedend op je ben? Dit weglopen zal wel weer een van je trucjes zijn om me in het gareel te krijgen. Nou, vergeet ‘t maar, dat zal je niet meer lukken. Al die jaren op mijn gevoel spelen met je zogenaamde verdriet.’
Weer terug in de kamer hoort hij even later zijn moeder de trap af lopen. Ze loopt zwaar, net als of ze iets tilt. Nieuwsgierig loopt hij weer naar de gang. Zijn moeder heeft een grote doos in haar handen en zegt: ‘Deze doos is van jou.’
‘Van mij, maar ik heb helemaal niet zo’n doos.’
‘Nu wel,’ zegt ze, ‘pak die doos nou maar aan, want het wordt te zwaar om die te blijven tillen.’
Hans pakt de doos aan. Zet die op tafel. Daarna maakt hij de doos open en ziet brieven, heel veel brieven. Hij pakt de eerste de beste enveloppe, terwijl hij zijn moeder aankijkt. ‘Het is toch niet wat ik denk dat het is?’ ‘Jawel, het is precies wat je denkt dat het is. Post van je vader.’
Hij kijkt nu naar de enveloppe en maakt die open. Het valt hem op dat de brief niet open is gemaakt door zijn moeder. De brief is inderdaad van zijn vader en begint met: ‘Lieve zoon, zoals altijd schrijf ik je een brief over ons leven in Nieuw Zeeland…Hij kijkt zijn moeder aan en zegt geëmotioneerd: ‘Hoe heb je dit kunnen doen. Zoveel dingen voor me verzwijgen en ik maar denken ik kan en mag mijn moeder niet in de steek laten. Waaróm heb je dat gedaan? Wat heb je nog meer voor me verzwegen?’
‘In de eerste plaats uit wraak, omdat ik ontdekte dat jouw vader, mijn man, een jarenlange verhouding had met mijn zuster Petronella. Dezelfde zuster die ik zag als een heel goede vriendin. Toen ik je vader vroeg of het waar was dat hij een verhouding had met Petronella, zei hij ja. ‘Donder dan maar op,’ zei ik tegen hem. ‘Niet zonder Hansje,’ zei je vader. ‘Nooit zal je Hansje van me krijgen,’ antwoordde ik, je vader is toen weggegaan.’ Zijn moeder was nu ook geëmotioneerd. ‘Tot je me vertelde van je droom, was het nog steeds wraakneming van mijn kant en dacht ik er verder niet zo over na. Ik besef nu dat de poging tot ontvoering jou heel veel heeft gedaan. Ik had je moeten vertellen dat je vader de ontvoerder was, omdat hij je mee wilde nemen naar Nieuw Zeeland. Dan had je die jarenlange nachtmerrie misschien niet gehad. Ik heb je tekort gedaan, zoon.’
Hans kijkt haar zwijgend aan en gaat aan tafel zitten. Hij haalt de brief uit zijn broekzak en legt die voor haar neer. Ze pakt de brief en leest die.
‘Wat ga je nu doen?’ vraagt ze.
‘Ik ga binnen een maand naar Nieuw Zeeland om naar de notaris te gaan, maar ga natuurlijk het allereerst naar mijn vader. Ik heb vanmiddag de notaris gebeld. Het is in Nieuw Zeeland twaalf uur later dan bij ons. De man sliep nog. Logisch het was daar vier uur in de morgen. Hij zal de familie op de hoogte brengen van mijn komst. Nu moeder, dit is wel een heel snelle manier om volwassen te worden. Ik weet niet wanneer ik uit Nieuw Zeeland terugkom, als ik terugkom. Ik moet nog verlof regelen op mijn werk. We zien wel wat het allemaal wordt.’
Zijn moeder zit te huilen en vraagt snikkend aan hem, ‘En ik dan?’
‘Jij bent lang genoeg de hoofdpersoon geweest moeder. Nu ben ik aan de beurt.’ Met die woorden loopt hij de deur uit.


Marys Clarisse, Zaandam, december 2019

 Marys Clarisse en Piet Clarisse